fbpx

Hoe een actieve verdediging tot het einde van een zaak kan leiden

Recent publiceerde de Rechtbank Den Haag een uitspraak in een zaak van mr. Jaap Baar. De rechtbank verklaarde de zaak geëindigd; dat houdt in dat het Openbaar Ministerie (OM) de vervolging niet langer mag voortzetten. Het gevolg van zo’n beslissing is dus in feite gelijk aan een niet-ontvankelijkheid van het OM.

De zaak

Deze zaak liep al enkele jaren. Nadat de verdachte was aangehouden en voorgeleid, was zijn voorlopige hechtenis geschorst. Dat gebeurde in juli 2017. Vervolgens gebeurde er geruime tijd niets. Ondanks herhaalde navraag door mr. Baar bij de officier van justitie, bleef de zaak op de plank liggen en werd zelfs op mails helemaal niet meer gereageerd. Daarom werd halverwege 2019 aan de onderzoeksrechter, de Rechter-Commissaris (RC), het verzoek gedaan een termijn te stellen aan het OM. Dat gebeurde, het OM gaf ook aan te zullen gaan dagvaarden en verstrekte een aanvullend dossier.

Vervolgens bleef het weer heel lang stil. Mr. Baar zocht veelvuldig contact met het OM, maar vond geen gehoor. In de zomer van 2020 werd daarom het verzoek gedaan om het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen, de cliënt liep immers al drie jaar in schorsing. Daarnaast werd wederom een verzoek gedaan bij de RC, nu om de zaak voor te dragen voor beëindiging. De RC gaf het OM de gelegenheid op dat verzoek te reageren, maar een reactie bleef uit. Daarop droeg de RC de zaak voor beëindiging voor.

De zitting

Het OM stelde dat de schending van de redelijke termijn geen reden kon zijn om het verzoek tot te wijzen, gelet op de uitspraken van de Hoge Raad over de gevolgen van schending van de redelijke termijn. Mr. Baar merkte daarover op:

Uit dat schriftelijk standpunt volgt namelijk dat het OM kennelijk meent dat de aan de dag te leggen toets samenhangt met de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn waarbij wordt gezegd dat de vraag is of het belang van cliënt bij een tijdige berechting zwaarder weegt dan het belang om de zaak toch op zitting te behandelen. Dit is echter niet de vraag en ook niet de aan de dag te leggen toets bij een dergelijke verzoek einde zaak. Sterker nog, uit het overzichtsarrest aangaande einde zaak-verzoeken, volgt dat de redelijke termijn of vermeende schending daarvan, juist (op zichzelf) geen reden is om tot beëindiging van de zaak te komen (HR 1 oktober 2019NJ 2020/341, m. ntMevis.) Het gaat er om te toetsen of in redelijkheid nog te verwachten valt dat de vervolging zal worden voortgezet. Daarbij kan tijdsverloop een rol spelen, maar veel belangrijker is dat uit feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de vervolging kennelijk niet wordt voortgezet, in die gevallen kan tot het einde van de zaak worden besloten.

Daarnaast deelde het OM mede dat een datum was gevonden voor de inhoudelijke behandeling en dat tot dagvaarding zou kunnen worden overgegaan. Om die reden zou het verzoek moeten worden afgewezen. Bij pleidooi werd daarover naar voren gebracht:

“Als vanwege het feit dat nu plotseling wel een dagvaarding gaat worden uitgebracht een verzoek ex artikel 29f Sv zou worden afgewezen, wordt dat in feite een dode letter. Daarbij gaat er dan geen enkele corrigerende werking uit van dit instrument. Dan kan immers het OM altijd verzoeken van niet alleen de verdediging, maar zelfs van de RC!, gewoonweg compleet negeren om eerst als de zaak, niet eens op instigatie van de verdediging, maar op voordracht van die RC, voor beëindiging wordt voorgedragen, ter zitting met een voornemen tot dagvaarding op de proppen komen. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn en is, blijkens eerdergenoemd arrest, de bedoeling ook niet”

De beslissing

De rechtbank volgde dit standpunt van de verdediging en heeft de zaak geëindigd verklaard. De rechtbank overweegt daartoe onder meer:

“Pas na de (eerste) raadkamerzitting van 20 oktober 2020, klaarblijkelijk na het moment dat de officier van justitie ‘wakker werd geschud’, werd van het OM het bericht ontvangen dat de zaak inhoudelijk kon worden gepland op 7 december 2020. De opvatting van de officier van justitie dat het verzoek ex. art. 29f Sv dan moet worden afgewezen omdat verdachte daarmee alsnog zekerheid heeft verkregen over het vervolg van de zaak, gaat naar oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet op.”

Voor cliënt is de zaak dus tot een definitief einde gekomen. Voor de dagen die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, is een verzoek tot schadevergoeding ingediend.

Uit deze uitspraak blijkt dat het belangrijk is om niet achterover te leunen als een zaak lang blijft liggen, terwijl duidelijkheid over de verdere vervolging wel gewenst is. Door actief navraag te doen en, bij het uitblijven van actie of reactie van het OM, de onderzoeksrechter in te schakelen, kan beweging worden afgedwongen.

Vragen over deze blog? Neem contact met ons op!

RSJ beslist: geen verlenging van quarantaine na bezoek advocaat aan gedetineerde
Tijd voor een herbezinning op de taak van de bestuursrechter
Menu